Anne is 30 en werkt al bijna tien jaar voltijds. Vijf dagen per week, acht uur per dag, plus reistijd, avondmails en appjes in het weekend. “Tel je alles bij elkaar op, dan ben je praktisch non-stop met werk bezig,” zegt ze. Wat haar stoort is niet alleen het aantal uren, maar vooral dat dit nog steeds als de norm geldt. “We behandelen het alsof het vanzelfsprekend is, terwijl het eigenlijk een afspraak is uit een totaal andere tijd.”
Werken als toegangsbewijs tot het leven
Volgens Anne is werk niet langer een middel, maar een voorwaarde om überhaupt te mogen bestaan. “Je werkt om te kunnen wonen, om zorg te betalen, om niet uit de boot te vallen.” Daardoor voelt vrije tijd niet als vrijheid, maar als herstel na vermoeidheid. “Je weekend is er niet om te leven, maar om bij te tanken zodat je maandag weer kunt starten.” Dat patroon vindt ze beklemmend. “Dat voelt niet als keuze, maar als dwang.”
Productiever dan ooit, maar niet rijker aan tijd
Anne wijst erop dat we met technologie productiever zijn dan ooit. Automatisering, software en digitalisering maken werk sneller en efficiënter. “Toch maken we nog steeds evenveel uren, of zelfs meer.” In haar ogen wringt dat. “Als je met minder mensen meer voor elkaar krijgt, waarom levert dat ons dan geen tijd op?” De opbrengst van die efficiëntie belandt volgens haar vooral bij bedrijven, niet bij werknemers.
De mentale prijs van altijd moeten presteren
Wat Anne misschien nog zwaarder vindt dan de fysieke belasting, is de mentale druk. Altijd beschikbaar, altijd leveren, altijd verbeteren. “Het houdt nooit op.” Zelfs buiten werktijd voelt ze zich schuldig als ze even niets doet. “Alsof rust iets is wat je eerst moet verdienen.” Ze ziet om zich heen steeds meer burn-outs, stressklachten en mensen die vastlopen. “En toch blijven we doen alsof het aan het individu ligt, niet aan het systeem.”

Vrijheid als luxeartikel
Anne ziet dat echte vrijheid vooral is weggelegd voor een kleine groep: mensen met vermogen, flexibele banen of een eigen bedrijf. “Zij kunnen hun tijd zelf indelen.” Voor de meesten werkt het anders. “Als je nee zegt tegen veertig uur, lever je inkomen, zekerheid en status in.” Daarmee is de keuze om minder te werken niet echt vrij. “Het is een luxe die veel mensen zich niet kunnen permitteren.”
Geen pleidooi voor luiheid
Anne benadrukt dat haar punt vaak verkeerd wordt begrepen. “Dit gaat niet over niet willen werken.” Ze vindt werk belangrijk, zinvol en verbindend. “Maar waarom moet dat per se veertig uur zijn?” Volgens haar is het een heilig getal geworden waar nauwelijks aan wordt getornd. “Alsof het een natuurwet is.” Ze pleit voor kortere werkweken, meer flexibiliteit en het loslaten van aanwezigheid als maatstaf voor waarde.
Een lastige vergelijking
Het woord slavernij roept weerstand op, dat weet Anne. “Ik gebruik het niet om de geschiedenis te bagatelliseren,” zegt ze. “Maar om het gevoel van een gebrek aan autonomie te vangen.” Vastzitten in een systeem waar je niet uit kunt zonder grote gevolgen. “Dat gevoel herkennen veel mensen, ook al durven ze het niet zo te noemen.”
Aan het einde van het gesprek stelt Anne de vraag die steeds vaker fluisterend wordt gesteld maar zelden hardop klinkt: vinden we het écht normaal om het grootste deel van ons leven aan werk te besteden, of is het tijd om opnieuw te bepalen hoeveel van onze tijd we willen inleveren?



