In zes jaar tijd sprong het aandeel van 9 naar 21 procent. Onder starters die een corporatiewoning betrekken, zie je dus vaker een huishouden met een statushouder. Maar dat in het oog springende cijfer is maar een stukje van het verhaal. Kijk je naar álle vrijkomende corporatiewoningen, dan ontstaat een ander plaatje.
Het CBS kwam op 28 oktober 2026 met nieuwe cijfers over de toewijzingen in 2024. Daaruit blijkt dat ongeveer één op de vijf startershuishoudens die een corporatiewoning kregen, minstens één statushouder telde. In 2018 was dat nog minder dan één op de tien.
Het totale aantal startershuishoudens dat zo’n woning toegewezen kreeg, bewoog veel minder: van circa 38.500 in 2018 naar ruim 41.000 in 2024. Binnen die groep verschoof de verdeling dus duidelijk.
Wie geldt eigenlijk als starter?
Hoor je ‘starter’, dan denk je misschien aan een jongere die het ouderlijk huis verlaat. Voor dit onderzoek hanteert het CBS een bredere definitie.
Ook wie vanuit een instelling zelfstandig gaat wonen of wie aan het begin van het jaar nog niet als inwoner van Nederland stond ingeschreven, valt in deze categorie. In dit onderzoek bestaat een startershuishouden volledig uit mensen die aan die omschrijving voldoen.
Het gaat dus niet om een aparte voorraad woningen die alleen voor jonge Nederlanders is gereserveerd. Die context is nodig om die 21 procent goed te duiden.

Kijk je naar alle toewijzingen, dan gaat het om zo’n 8 procent
In 2024 kwamen er in totaal ongeveer 162.000 corporatiewoningen vrij voor nieuwe bewoners. Ruim 13.000 daarvan gingen naar een huishouden met minimaal één statushouder. Dat is grofweg 8 procent, vergelijkbaar met het jaar ervoor.
Die 21 en 8 procent spreken elkaar niet tegen. De 21 slaat uitsluitend op starters; de 8 omvat ook huishoudens die uit een andere woning doorstromen.
Als je zelf op een huis wacht, voelt zo’n verdeling natuurlijk heel persoonlijk. Van statistiek krijg je geen sleutel. Tegelijk is het wel belangrijk om precies te zeggen over welke groep een cijfer gaat.
Hoe werkt die voorrang eigenlijk?
Gemeenten zijn verplicht passende woonruimte te regelen voor statushouders. Dat hoeft niet altijd een zelfstandige sociale huurwoning te zijn; tijdelijke huisvesting of gedeelde woonruimte kan ook.
Gemeenten kunnen statushouders voorrang geven als dat in de lokale huisvestingsverordening is vastgelegd. Uit de CBS-cijfers blijkt echter niet dat elke toegewezen woning via zo’n voorrangsroute is gegaan. Rijksoverheid.nl
De politieke afweging blijft ingewikkeld. Sneller huisvesten helpt mensen uit de opvang, maar andere woningzoekenden willen óók perspectief. Alleen percentages naast elkaar leggen, zegt nog niet welke verdeling het eerlijkst is.
Vind jij dat statushouders meer, minder of juist evenveel voorrang moeten krijgen als nu?



